Appellant is door een ernstig auto-ongeluk arbeidsongeschikt geraakt en heeft een wisselend arbeidsverleden met verschillende werkgevers en inkomens. Het UWV heeft het WIA-dagloon vastgesteld over een wettelijke referteperiode van bijna een jaar, wat resulteert in een relatief laag dagloon van €26,71.
Appellant betoogde dat vanwege het ongeval en de wisselende inkomsten het dagloon op basis van zijn laatste dienstverband bij het uitzendbureau berekend zou moeten worden, omdat de huidige berekening leidt tot een onevenredig nadelige uitkomst. Hij verwees naar jurisprudentie en beleidsbrieven om afwijking van de wettelijke regels te rechtvaardigen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de wettelijke bepalingen in de Wet WIA en het Dagloonbesluit dwingend zijn en geen ruimte bieden om af te wijken van de referteperiode of berekeningswijze. De oorzaak van arbeidsongeschiktheid en de duur ervan spelen geen rol bij de dagloonvaststelling. De Raad bevestigt daarom het besluit van het UWV en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht wordt niet teruggegeven. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 25 oktober 2023.