Uitspraak
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het college in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.255,50;
- bepaalt dat van het college griffierecht wordt geheven ten bedrage van € 519,-.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene ontving vanaf 12 juni 2015 bijstand als alleenstaande ouder. Na een onderzoek naar mogelijke onrechtmatigheden bij de bijstandsverlening heeft het college de bijstand per 11 januari 2018 ingetrokken. Vervolgens vroeg het college nadere informatie over de periode van 12 juni 2015 tot 10 januari 2018, waarop betrokkene niet reageerde. Het college legde daarop een bestuurlijke boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank vernietigde dit boetebesluit omdat de boete niet voldoende was onderbouwd en de verklaring van betrokkene niet als bewijs mocht dienen. Het college ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de boete niet gehandhaafd kan worden omdat de inlichtingenverplichting uit artikel 17 PW Pro niet ziet op het verstrekken van bewijsstukken en omdat de boete betrekking had op het niet verstrekken van gegevens na beëindiging van de bijstand.
Dit laatste is niet beboetbaar op grond van artikel 18a PW, omdat dit in strijd is met het lex certa-beginsel dat vereist dat verboden gedragingen duidelijk omschreven zijn. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde het college in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wegens schending van de inlichtingenverplichting na beëindiging van de bijstand is onterecht opgelegd en vernietigd.