ECLI:NL:CRVB:2023:2246
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vaststelling subsidie NOW-1 wegens gedaalde loonsom
Betrokkene diende een aanvraag in voor de NOW-1 subsidie wegens omzetverlies door COVID-19. De minister verleende een voorschot van €31.962,-, maar stelde de definitieve subsidie vast op €0,- omdat de loonsom in de subsidieperiode was gedaald ten opzichte van de referentiemaand.
De rechtbank oordeelde dat het belang van betrokkene zwaarder woog en stelde de subsidie vast op €10.310,-. De minister ging in hoger beroep en voerde aan dat de regeling een generiek karakter heeft en dat de subsidie terecht op nihil is vastgesteld volgens de wettelijke berekeningswijze.
De Raad overwoog dat de minister een discretionaire bevoegdheid heeft om de subsidie lager vast te stellen bij een gedaalde loonsom, met een belangenafweging die het evenredigheidsbeginsel respecteert. De Raad concludeerde dat het financiële nadeel voor betrokkene niet onevenredig is en dat de regeling het behoud van werkgelegenheid beoogt.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit van de minister om de subsidie op nihil vast te stellen en het voorschot terug te vorderen. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De subsidie wordt terecht vastgesteld op nihil en het voorschotbedrag wordt teruggevorderd.