ECLI:NL:CRVB:2023:2275
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor griffierecht wegens verblijf in forensisch psychiatrisch centrum
Appellant, die sinds november 2018 in een forensisch psychiatrisch centrum verblijft vanwege een opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging, vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van griffierecht in een civiele procedure. Het college van burgemeester en wethouders van Groningen wees deze aanvraag af op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Participatiewet, omdat appellant rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
Na bezwaar handhaafde het college het besluit, waarna appellant beroep instelde bij de rechtbank Noord-Nederland. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de weigering van bijzondere bijstand zijn recht op toegang tot de rechter schendt, verwijzend naar het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen recht heeft op bijzondere bijstand omdat hij vanwege zijn vrijheidsbeneming is uitgesloten van bijstand. De Raad stelde dat appellant het recht op toegang tot de rechter moet waarborgen via de griffier van de rechterlijke instantie waar de civiele procedure loopt, en niet via bijzondere bijstand. Het hoger beroep werd verworpen, de afwijzing van de aanvraag bleef in stand en appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor griffierecht wordt bevestigd omdat appellant vanwege zijn verblijf in een TBS-kliniek geen recht op bijstand heeft.