Appellant ontving sinds 1997 een WAZ-uitkering met toeslag. In 2017 werd in zijn woning een hennepkwekerij aangetroffen, waarna hij strafrechtelijk werd veroordeeld. Het Uwv startte een onderzoek naar de rechtmatigheid van zijn uitkering en ontdekte dat appellant inkomsten had uit hennepteelt en werkzaamheden in meubelzaken van zijn echtgenote sinds 2006.
Het Uwv trok daarom in 2019 de uitkering en toeslag over de periode 31 mei 2006 tot 30 november 2019 in wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het Uwv het recht op uitkering niet kon vaststellen door het ontbreken van juiste informatie.
Appellant voerde in hoger beroep aan niet betrokken te zijn bij de hennepkwekerij, geen arbeidsvermogen te hebben en slechts incidenteel in de meubelzaken te zijn geweest. Ook stelde hij dat het Uwv al sinds 2009 op de hoogte was van de meubelzaken en dat zijn medische situatie dringende redenen vormde om van intrekking af te zien.
De Raad oordeelde dat het Uwv voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant werkzaamheden verrichtte in de meubelzaken en betrokken was bij de hennepteelt. De medische situatie van appellant vormde geen dringende reden om de intrekking te voorkomen. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking van de uitkering en toeslag bleef in stand.