Uitspraak
21.4511 AOW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om de Svb te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving tot januari 2000 een ouderdomspensioen met partnertoeslag. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) beëindigde de toeslag per 1 juli 2019 vanwege het hoge inkomen van de partner. Na melding van het wegvallen van het inkomen in maart 2020 weigerde de Svb de toeslag opnieuw toe te kennen, omdat eenmaal gestopte toeslagen niet heringevoerd kunnen worden.
Appellant maakte bezwaar, waarop de Svb het bezwaar deels honoreerde door de toeslag vanaf januari 2020 toe te kennen en een nabetaling en kosten rechtsbijstand toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het bestreden besluit af. Tevens wees zij het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
In hoger beroep stelde appellant dat het beroep tegen niet tijdig beslissen ten onrechte niet-ontvankelijk werd verklaard en dat hij recht had op een hoorzitting en een bovenforfaitaire vergoeding. Ook verzocht hij om vergoeding van immateriële schade wegens onterechte onthouding van toeslag tijdens de coronacrisis.
De Raad oordeelde dat het bestreden besluit tijdig was genomen en dat de Svb terecht van een hoorzitting afzag omdat het bezwaar volledig werd gehonoreerd. Er waren geen bijzondere omstandigheden voor een bovenforfaitaire vergoeding en appellant had onvoldoende concrete gegevens over psychisch letsel aangevoerd. Het verzoek om immateriële schadevergoeding werd daarom afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Uitkomst: Het beroep tegen niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade is afgewezen.