Appellant was vrachtwagenchauffeur en werd na ziekte en beëindiging dienstverband geconfronteerd met de vaststelling van zijn dagloon voor een IVA-uitkering. Het UWV had het dagloon vastgesteld op €110,30, waarbij de betaling van de WW-uitkering over augustus 2016 buiten de referteperiode werd gelaten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad overweegt dat de wettelijke systematiek, zoals neergelegd in het Dagloonbesluit en de Wet WIA, bepaalt dat loon wordt toegerekend aan het aangiftetijdvak waarover de werkgever opgave doet. De uitbetaling van de WW-uitkering in september 2016 over augustus 2016 valt buiten de referteperiode en mag niet worden meegenomen bij de dagloonvaststelling. Dit is een politiek-bestuurlijke afweging die de rechter terughoudend toetst.
Appellant stelde dat deze systematiek leidt tot een onredelijke en discriminerende uitkomst, in strijd met het EVRM en het Eerste Protocol, en dat correctie via een gebroken aangiftetijdvak of fiscale opgave mogelijk zou moeten zijn. De Raad verwierp deze argumenten en benadrukte dat het niet aan de rechter is om van de wettelijke systematiek af te wijken. De Raad bevestigde dat geen sprake is van ontneming van een bestaand recht of discriminatie.
De Centrale Raad van Beroep concludeert dat het UWV het dagloon correct heeft vastgesteld en dat het beroep van appellant moet worden afgewezen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam wordt bevestigd, en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.