ECLI:NL:CRVB:2023:491
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag wegens ernstig plichtsverzuim door nevenwerkzaamheden tijdens ziekte
Appellant was sinds 2002 in dienst bij de gemeente Rotterdam en werkte vanaf 2016 als behandelaar van bezwaarschriften. Na langdurige ziekte meldde hij zich hersteld, maar viel later weer uit wegens een operatie. Tijdens zijn arbeidsongeschiktheid verrichtte hij nevenwerkzaamheden als sushibezorger voor het bedrijf van zijn vrouw, zonder dit te melden aan zijn werkgever of bedrijfsarts.
Een integriteitsonderzoek, inclusief camera-observaties en gesprekken, concludeerde dat appellant onjuiste en inconsistente verklaringen gaf over zijn beperkingen en werkzaamheden. Het college legde hem daarop ontslag op grond van ernstig plichtsverzuim op, wat het bezwaar van appellant ongegrond verklaarde. De rechtbank bevestigde dit besluit.
In hoger beroep betoogde appellant onder meer dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat de camera-observaties onrechtmatig waren, wat de Raad verwierp. Ook stelde hij dat zijn werkzaamheden niet als nevenwerkzaamheden konden worden aangemerkt en dat het plichtsverzuim hem niet kon worden toegerekend. De Raad oordeelde dat appellant wel degelijk substantieel als bezorger fungeerde, dat hij de bedrijfsarts had moeten raadplegen en dat hij bewust informatie had verzwegen.
De Raad achtte het plichtsverzuim ernstig genoeg om ontslag te rechtvaardigen en bevestigde de eerdere uitspraak. De overige verweten gedragingen behoefden geen bespreking meer. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het ontslag wegens ernstig plichtsverzuim wordt bevestigd.