ECLI:NL:CRVB:2023:512
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing kostendelersnorm bij toekenning bijstand zonder schriftelijke huurovereenkomst
Appellante heeft op 26 augustus 2020 een aanvraag ingediend voor bijstand op grond van de Participatiewet (PW), waarbij zij aangaf een medebewoner te hebben. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam kende bijstand toe met toepassing van de kostendelersnorm op basis van een tweepersoonshuishouden, ingaande vanaf de datum van aanvraag. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep betwistte appellante de ingangsdatum van de bijstand en de toepassing van de kostendelersnorm. Zij stelde dat zij zich al eerder had gemeld en dat er geen sprake was van een kosten delende medebewoner omdat er slechts een mondelinge huurovereenkomst bestond en geen gezamenlijke huishouding of gedeelde vaste lasten.
De Raad oordeelde dat de ingangsdatum van de bijstand niet eerder kan liggen dan de datum van melding of aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden aannemelijk worden gemaakt, wat hier niet het geval was. Verder stelde de Raad dat voor de toepassing van de kostendelersnorm een schriftelijke huurovereenkomst met een commerciële huurprijs vereist is om te voorkomen dat iemand als kostendelende medebewoner wordt aangemerkt. Een mondelinge overeenkomst volstaat niet, ook niet als deze later schriftelijk wordt bekrachtigd.
De feitelijke verdeling van kosten of daadwerkelijke bijdrage is niet relevant; het gaat erom of de kosten gedeeld kunnen worden. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waardoor de bijstand met toepassing van de kostendelersnorm blijft gelden vanaf 26 augustus 2020.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toekenning van bijstand met toepassing van de kostendelersnorm vanaf 26 augustus 2020.