Uitspraak
21.4545 AOW
OVERWEGINGEN
Uitspraak van de rechtbank
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een arbeidsmigrant uit Turkije, kwam in 1972 naar Nederland en keerde in 1973 terug naar Turkije voor huwelijk en militaire dienstplicht. De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde vast dat appellant in de aankomstperiode (1 augustus 1970 tot 14 augustus 1972) en dienstplichtperiode (15 juli 1973 tot 25 augustus 1975) niet verzekerd was voor de AOW, wat leidde tot een korting van 8% op zijn AOW-pensioen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze korting ongegrond. Appellant voerde aan dat hij vanaf april 1972 in Nederland werkte en woonde en dat hij tijdens zijn dienstplichtperiode ingezetene bleef. Hij ondersteunde dit met getuigenverklaringen en schriftelijke stukken, maar kon geen objectief verifieerbaar bewijs leveren.
De Raad oordeelde dat de inschrijving in het Schakelregister op 14 augustus 1972 het enige objectieve bewijs is voor de aanvang van de verzekering. De verklaringen van mede-gemachtigden en getuigen werden niet als doorslaggevend erkend vanwege het ontbreken van verifieerbare documenten en onduidelijkheden over data.
Verder stelde de Raad vast dat appellant tijdens zijn dienstplichtperiode geen duurzame persoonlijke band met Nederland had, waardoor hij niet als ingezetene kon worden beschouwd. De Raad bevestigde daarom de korting van 8% op het AOW-pensioen en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De korting van 8% op het AOW-pensioen van appellant wegens niet-verzekerd zijn in de aankomst- en dienstplichtperiode wordt bevestigd.