Appellant diende op 20 maart 2018 een aanvraag om bijstand in bij het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg. Het college wees de aanvraag af op grond van onvoldoende duidelijkheid over de financiële situatie van appellant. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij voldoende gegevens had verstrekt om zijn recht op bijstand aan te tonen.
De Raad beoordeelde de periode van 17 februari 2018 tot 3 juli 2018 en bevestigde dat de bewijslast voor bijstandbehoevendheid bij appellant ligt. Appellant heeft aannemelijk gemaakt dat hij in de periode voorafgaand aan de aanvraag in zijn levensonderhoud voorzag door werkzaamheden in Polen en Duitsland, en door leningen van familie en vrienden, onderbouwd met bankafschriften.
De Raad oordeelde dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat appellant naast deze inkomstenbronnen nog andere inkomsten had. De bedrijfsactiviteiten in Polen waren gestaakt en het bedrijf in Nederland was al in 2011 uitgeschreven. Ook de onderverhuur van de woning was beëindigd. Hierdoor kon het besluit tot afwijzing niet standhouden.
De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit en droeg het college op een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het college veroordeeld in de kosten van appellant en werd bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Raad kan worden ingesteld.