Uitspraak
20 773 WIA
14 januari 2020, 18/3100 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Werkneemster werkte sinds 2013 bij de gemeente Goeree-Overflakkee en viel in 2015 uit wegens lichamelijke klachten. Zij vroeg in 2017 een WIA-uitkering aan. Het UWV verlengde de loondoorbetalingsperiode met 52 weken (loonsanctie) omdat de re-integratie-inspanningen van de werkgever onvoldoende waren.
De gemeente maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam oordeelde eveneens dat het UWV de juiste medische beoordeling had gemaakt en dat de werkgever onvoldoende had gedaan om de werkneemster te re-integreren, met name door het niet tijdig starten van multidisciplinaire behandeling.
In hoger beroep voerde de gemeente aan dat het UWV was uitgegaan van een verkeerde diagnose en dat de latere toekenning van een IVA-uitkering aan de werkneemster zou aantonen dat er geen re-integratiekansen waren gemist. De Raad oordeelde dat het UWV beide diagnoses had betrokken en dat de toekenning van de IVA-uitkering geen oordeel inhoudt over de re-integratie-inspanningen van de werkgever.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de loonsanctie terecht is opgelegd vanwege onvoldoende re-integratie-inspanningen door de werkgever.