Appellante was secretaresse en ontving vanaf 1 augustus 2019 een Ziektewetuitkering na het einde van haar dienstverband. Het UWV beëindigde haar uitkering per 15 mei 2020 op basis van een medisch oordeel dat zij geschikt was voor haar werk. De rechtbank oordeelde dat de beëindiging niet met terugwerkende kracht per 15 mei mocht plaatsvinden omdat appellante het besluit pas op 2 juni 2020 ontving, en gaf opdracht tot herbeoordeling.
Het UWV besloot vervolgens opnieuw de uitkering per 2 juni 2020 te beëindigen, gesteund op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zij vanwege een meervoudige hernia niet in staat was haar werk te verrichten, mede door beperkingen in zitten en concentratie.
De Raad oordeelde dat het telefonische medisch onderzoek voldoende zorgvuldig was en dat de belastbaarheid van appellante tussen 15 mei en 2 juni 2020 niet was gewijzigd. De specifieke belastingen van haar functie die zij aanvoerde, zoals langdurig zitten bij informatieavonden, werden als bijzonder en verzwarend buiten beschouwing gelaten. Er waren geen aanwijzingen voor verdere beperkingen zoals een urenbeperking.
Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 17 september 2021 ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.