ECLI:NL:CRVB:2023:809

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 mei 2023
Publicatiedatum
2 mei 2023
Zaaknummer
21 / 54 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Richtlijn 2003/88/EGRichtlijn 2003/88/EGC-155/10ECLI:EU:C:2011:588
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging nabetaling vakantieloon voor hondengeleiders over 2012-2016

Appellanten, werkzaam als hondengeleider bij de politie, ontvingen een nabetaling van vakantieloon over de periode 2012 tot 2016, voortvloeiend uit het arrest Williams van het Hof van Justitie van de EU. Zij maakten bezwaar tegen de vastgestelde hoogte van deze nabetaling, stellende dat de compensatie in tijd voor de permanente verantwoordelijkheid voor de diensthond als loon moet worden beschouwd waarop zij tijdens vakantie recht hebben.

De korpschef handhaafde de vaststelling van de nabetaling en de rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond. In hoger beroep betoogden appellanten dat de compensatie in tijd op geld waardeerbaar is en daarom als loon moet worden aangemerkt. De Raad oordeelde echter dat noch de Richtlijn 2003/88/EG, noch de jurisprudentie van het Hof van Justitie ondersteunen dat compensatie in tijd als loon geldt waarop recht bestaat tijdens vakantie.

Voorts stelde appellanten dat het standpunt van de korpschef leidt tot ongelijke behandeling ten opzichte van collega’s die compensatie in geld ontvangen. De Raad stelde vast dat hondengeleiders in de praktijk keuzevrijheid hebben om compensatie in tijd of geld te ontvangen, waardoor geen sprake is van ongelijke situaties en geen strijd met het gelijkheidsbeginsel.

De Raad bevestigde de aangevallen uitspraken en handhaafde de nabetalingen van vakantieloon. Appellanten krijgen geen terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de nabetaling vakantieloon zonder compensatie in tijd als loon tijdens vakantie.

Uitspraak

21/54 AW, 21/55 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 24 november 2020, 19/4878 (aangevallen uitspraak 1) en 19/4848 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellant 1] te [woonplaats 1] (appellant 1)
[appellant 2] te [woonplaats 2] (appellant 2)
de korpschef van politie (korpschef)
Datum uitspraak: 2 mei 2023

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de Raad de door de korpschef vastgestelde hoogte van de nabetaling van vakantieloon over het tijdvak 2012 tot 2016 aan appellanten zoals die blijkt uit hun salarisspecificaties van november 2016.
1.1.
De korpschef heeft met het bestreden besluit van 12 augustus 2019 (bestreden besluit 1) op het bezwaar van appellant 1 de vaststelling van de hoogte van de nabetaling gehandhaafd. Met het bestreden besluit van 7 augustus 2019 (bestreden besluit 2) op het bezwaar van appellant 2 heeft de korpschef ook de vaststelling van de hoogte van de nabetaling aan appellant 2 gehandhaafd.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen van appellanten in afzonderlijke uitspraken (aangevallen uitspraken 1 en 2) ongegrond verklaard en de bestreden besluiten in stand gelaten.
1.3.
Namens appellanten heeft mr. drs. M.H. Welter hoger beroepen ingesteld.
1.4.
De zaken zijn gevoegd behandeld op zitting op 16 februari 2023. Namens appellanten is mr. drs. Welter verschenen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Stové en mr. C. Wallage.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2.1.
Appellanten zijn werkzaam bij de politie in de functie van hondengeleider. Zij ontvangen op grond van de Regeling voorzieningen hondengeleiders politie (Regeling) [1] onder meer een compensatie in tijd voor de permanente verantwoordelijkheid voor de diensthond.
2.2.
Met de afzonderlijke salarisspecificaties van november 2016 heeft de korpschef aan appellanten een nabetaling gedaan van het vakantieloon over de periode 2012 tot 2016. Deze nabetaling is een gevolg van het arrest Williams van 15 september 2011 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof). [2]
2.3.
De korpschef heeft de bezwaren van appellanten tegen hun salarisspecificaties bij de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. De korpschef stelt dat de compensatie in tijd voor de permanente verantwoordelijkheid voor de diensthond geen deel uitmaakt van de maandelijkse bezoldiging en daarmee ook niet van het bedrag waarop recht bestaat tijdens vakantie. Richtlijn 2003/88/EG (Richtlijn) voorziet hier niet in. [3]

Het oordeel van de rechtbank

3. Volgens de rechtbank hebben appellanten geen goede redenen aangevoerd waarom bestreden besluiten 1 en 2 niet juist zouden zijn. De rechtbank heeft deze besluiten daarom in stand gelaten.

Beoordeling door de Raad

4. De Raad beoordeelt of het oordeel van de rechtbank over de nabetaling van het vakantieloon over de periode van 2012 tot 2016 juist is. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellanten hebben aangevoerd, de beroepsgronden.
4.1.
De Raad komt tot het oordeel dat de beroepsgronden niet slagen. De rechtbank heeft terecht de nabetaling van het vakantieloon in stand gelaten. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Compensatie in tijd geen onderdeel van loon als bedoeld in de Richtlijn
4.2.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat appellanten een rechtstreeks beroep toekomt op artikel 7 van Pro de Richtlijn. Evenmin staat ter discussie dat sprake is van een last die intrinsiek samenhangt tussen enerzijds de taken die appellanten zijn opgedragen en anderzijds de compensatie in tijd. Zie in dit verband ook de uitspraak van de Raad van 31 mei 2018. [4]
4.3.1.
Appellanten betogen ook in hoger beroep dat de compensatie in tijd onderdeel vormt van het loon als bedoeld in de Richtlijn. Zij wijzen erop dat de compensatie in tijd op geld waardeerbaar is. Zij hebben daarom ook tijdens de vakantie recht op deze compensatie.
4.3.2.
Dit betoog slaagt niet. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit de Richtlijn, noch uit de rechtspraak van het Hof volgt dat compensatie in tijd moet worden aangemerkt als loon waarop de werknemer recht heeft gedurende zijn jaarlijkse vakantie in de zin van artikel 7 van Pro de Richtlijn. De Raad verwijst hierbij in het bijzonder naar het in 2.2 genoemde arrest Williams, waar het Hof in punt 24 heeft geoordeeld dat elke last die intrinsiek samenhangt met de uitvoering van de taken die de werknemer zijn opgedragen in zijn arbeidsovereenkomst
enwaarvoor hij een financiële vergoeding ontvangt, noodzakelijkerwijs deel moet uitmaken van het bedrag waarop de werknemer recht heeft gedurende zijn jaarlijkse vakantie.
4.3.3.
Onder verwijzing naar 4.2 staat vast dat het hier gaat om een last die intrinsiek samenhangt tussen enerzijds de taken die appellanten zijn opgedragen en anderzijds de compensatie die zij daarvoor ontvangen. Nu appellanten compensatie in tijd krijgen is echter geen sprake van een financiële vergoeding en wordt de compensatie dus niet aangemerkt als loon in de zin van de Richtlijn, waarop zij gedurende hun vakantie recht hebben op grond van artikel 7 van Pro de Richtlijn.
4.3.4.
Dat de compensatie in tijd op geld waardeerbaar is, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Er is geen enkele steun te vinden voor het standpunt van appellanten dat compensatie in tijd tijdens de vakantieperiode van appellanten zou moeten worden berekend in geld of moet worden omgezet in compensatie in geld, met als enige doel dat de compensatie een financiële vergoeding wordt en daarmee tot het loon in de zin van artikel 7 van Pro de Richtlijn zou behoren.
4.3.5.
Voor het stellen van prejudiciële vragen ziet de Raad geen aanleiding, omdat hier – mede gezien de rechtspraak van het Hof – redelijkerwijs geen twijfel bestaat over de uitleg van artikel 7 van Pro de Richtlijn.
Geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel
4.4.
Appellanten voeren verder aan dat het standpunt van de korpschef leidt tot een ongelijke behandeling. Appellanten verkeren in een nadeligere positie dan hun collega’s die compensatie in geld ontvangen en dit tijdens de vakantie krijgen doorbetaald. Voor rechtvaardiging van deze nadeligere positie zijn geen aanknopingspunten te vinden in de Richtlijn, de Regeling of de rechtspraak.
4.5.
Dit betoog slaagt niet. Anders dan de letterlijke tekst van de Regeling doet vermoeden, hebben hondengeleiders in de praktijk een zekere mate van keuzevrijheid om de compensatie voor de verzorging van hun diensthond in geld of in tijd te verkrijgen. Dat appellanten deze keuzevrijheid ook hebben, staat tussen partijen niet ter discussie, zodat de Raad hiervan uitgaat. Appellanten hebben ervoor gekozen de compensatie in tijd te ontvangen, terwijl anderen hebben gekozen de compensatie in geld te ontvangen. Dit betekent dat geen sprake is van een gelijke situatie die ongelijk wordt behandeld en dat er dus geen strijd met het gelijkheidsbeginsel is.

Conclusie en gevolgen

4.6.
De hoger beroepen slagen niet. De aangevallen uitspraken zullen worden bevestigd. Dit betekent dat de nabetalingen van het vakantieloon over 2012 tot 2016 in stand blijven.
4.7.
Appellanten krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2023.
(getekend) H. Lagas
(getekend) R. van Doorn

Voetnoten

1.Stcrt. 2010, 7966.
2.C-155/10, ECLI:EU:C:2011:588.
3.Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd.