ECLI:NL:CRVB:2023:928
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat overgang van onderneming niet relevant is voor toekenning ZW- en WIA-uitkeringen
De zaak betreft hoger beroep tegen uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland over de toerekening van Ziektewet- en WIA-uitkeringen aan een werkgever (appellante) die door de Belastingdienst als opvolgend werkgever is aangemerkt na faillissement van de oorspronkelijke werkgever.
De rechtbank had geoordeeld dat sprake was van overgang van onderneming en dat appellante daarom belanghebbende was bij de uitkeringsbesluiten. De Centrale Raad van Beroep stelt echter dat de vraag naar overgang van onderneming uitsluitend relevant is voor de Belastingdienst en de belastingrechter in het kader van premiebesluiten, en niet voor de rechtmatigheid van de uitkeringsbesluiten van het UWV.
Daarnaast heeft de Raad geoordeeld dat de medische en arbeidskundige gronden van de uitkeringsbesluiten voldoende zijn gemotiveerd en dat appellante geen nieuwe argumenten heeft aangevoerd om deze te betwisten.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de aangevallen tussenuitspraak en uitspraak van de rechtbank, met verbetering van gronden, en wijst de hoger beroepen af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep wijst het hoger beroep af en bevestigt dat de vraag naar overgang van onderneming niet relevant is voor de rechtmatigheid van de uitkeringsbesluiten.