ECLI:NL:CRVB:2024:1058
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden
Appellant vroeg om een Wajong-uitkering, maar het UWV wees deze in 2019 af wegens arbeidsvermogen. Na bezwaar en een nieuwe aanvraag in 2020, waarbij appellant aanvullende informatie over zijn stage en beperkingen aanvoerde, handhaafde het UWV het besluit omdat er geen nieuwe medische feiten waren.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het niet succesvol afronden van een stage na het oorspronkelijke besluit geen aanleiding geeft tot herziening, mede omdat de stage-omgeving mogelijk niet geschikt was en de beperkingen van appellant niet wezenlijk veranderden.
In hoger beroep stelde appellant dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat hij intensieve begeleiding nodig heeft, wat zijn arbeidsvermogen beperkt. De Raad concludeerde echter dat het onderzoek zorgvuldig was, met voldoende medische en arbeidsdeskundige rapportages, en dat het UWV terecht het eerdere besluit handhaafde.
De Raad bevestigde dat de arbeidsdeskundige terecht had vastgesteld dat appellant enkel geschikt is voor eenvoudige, gestructureerde taken met intensieve begeleiding in een beschutte werkomgeving, en dat het niet slagen van stages in reguliere omgevingen dit niet weerlegt.
Het hoger beroep werd verworpen, de weigering van de Wajong-uitkering blijft in stand, en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.