Uitspraak
:29 mei 2024
Centrale Raad van Beroep
Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan wegens psychische klachten, maar het UWV wees deze af omdat zij op haar achttiende verjaardag niet in Nederland of een EU/EER-land woonde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had, ondanks haar Nederlandse nationaliteit en kort verblijf als kind.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij wel degelijk een duurzame band met Nederland had en dat maatwerk toegepast had moeten worden vanwege haar schrijnende situatie. De Raad oordeelde dat ingezetenschap vereist is voor de Wajong en dat de omstandigheden van appellante onvoldoende waren om een duurzame band aan te nemen. De intentie om in Nederland te wonen is niet voldoende.
De Raad benadrukte dat alleen bij hoge uitzondering kan worden afgeweken van de wet en dat in dit geval geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die een uitzondering rechtvaardigen. De weigering van de uitkering blijft daarom in stand en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens ontbreken van ingezetenschap en duurzame persoonlijke band met Nederland op de achttiende verjaardag.