ECLI:NL:CRVB:2024:1322
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning AOW-pensioen naar gehuwdennorm wegens ontbreken duurzaam gescheiden leven
Appellante, geboren in 1956 en gehuwd sinds 2011, vroeg in mei 2022 een AOW-pensioen aan op grond van de Algemene Ouderdomswet. Hoewel zij verklaarde apart te leven van haar echtgenoot, kende de Sociale verzekeringsbank (Svb) haar een AOW-pensioen toe volgens de gehuwdennorm, omdat zij niet duurzaam gescheiden van elkaar leven.
Na bezwaar en onderzoek handhaafde de Svb dit besluit. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat er geen duurzaam gescheiden leven was, mede gelet op het frequente contact en gezamenlijke activiteiten van appellante en haar echtgenoot.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelt dat duurzaam gescheiden leven alleen aan de orde is als aan drie voorwaarden is voldaan: een van beiden wil de huwelijkse samenleving verbreken, beiden leiden een eigen leven alsof ze niet gehuwd zijn, en ten minste een van beiden bedoelt dit als blijvend. De feiten tonen aan dat appellante en haar echtgenoot ondanks aparte woonplaatsen nog een gezamenlijk leven leiden, met regelmatig contact en gezamenlijke activiteiten.
De Raad concludeert dat appellante geen recht heeft op een AOW-pensioen naar de ongehuwdennorm en bevestigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de toekenning van het AOW-pensioen naar de gehuwdennorm blijft in stand.