ECLI:NL:CRVB:2024:1325
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing kinderbijslag wegens ontbreken duurzame band ingezetenschap Nederland
Appellante, met Nederlandse nationaliteit, is in juni 2021 met haar kinderen en kleinkind vanuit het buitenland naar Nederland gekomen. Zij verbleef aanvankelijk bij kennissen en familie en later in een hotel en noodopvang, zonder duurzame woonruimte. Zij vroeg kinderbijslag aan vanaf december 2021, maar de Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende dit toe vanaf het tweede kwartaal van 2022.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat zij op de peildata (1 juli 2021, 1 oktober 2021 en 1 januari 2022) nog geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. Appellante voerde aan dat zij zich had ingeschreven bij de Basisregistratie Personen, haar kinderen naar school gingen en zij een uitkering ontving, en verwees naar een arrest van het Hof van Justitie over belangen van het kind.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat deze omstandigheden onvoldoende zijn om ingezetenschap aan te nemen. Appellante had geen duurzame woonruimte en haar familieleden verbleven nog in het buitenland. Het beroep op het arrest M.A. tegen België faalt omdat dit arrest niet relevant is voor deze zaak. Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van kinderbijslag over de genoemde kwartalen blijft in stand.
Uitkomst: Hoger beroep afgewezen; appellante had geen recht op kinderbijslag over de betreffende kwartalen wegens ontbreken duurzame band ingezetenschap.