ECLI:NL:CRVB:2024:1339
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bevestigd
Appellant, voormalig internationaal vrachtwagenchauffeur, vroeg een WIA-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid vanaf 22 september 2016. Het Uwv kende aanvankelijk een loongerelateerde WGA-uitkering toe voor de periode tot 19 september 2020 met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Vervolgens beëindigde het Uwv de uitkering per 20 september 2020 vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%, gebaseerd op medische rapporten en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
Appellant maakte bezwaar tegen de beëindiging, stellende dat hij onvoldoende medisch onderzocht was en dat zijn beperkingen onderschat werden, met name voor nek- en astmaklachten en de noodzaak tot afwisseling van houding. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad vond dat het Uwv voldoende had gemotiveerd waarom een spreekuurcontact met een verzekeringsarts niet noodzakelijk was. De medische informatie, waaronder Duitse expertiserapporten en aanvullende stukken, ondersteunde de vaststelling van een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. De Raad verwierp de bezwaren over onderschatte beperkingen en concludeerde dat de geselecteerde functies passend waren.
De Raad bevestigde de beëindiging van de WIA-uitkering per 5 november 2020 en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Hiermee werd het hoger beroep van appellant afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.