ECLI:NL:CRVB:2024:1526
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand na samenwoning ondanks beroep op belangenafweging
Appellante ontving sinds november 2017 bijstand als alleenstaande. Op 3 februari 2020 is haar partner X op haar adres ingeschreven, waarna het college de bijstand introk omdat zij samenwoonden en zij geen recht meer had op bijstand als alleenstaande.
Appellante stelde dat haar belangen onvoldoende waren meegewogen, omdat zij in de periode tussen intrekking en gezamenlijke bijstand met haar partner (tot 8 mei 2020) zonder inkomen zat en schulden opliep. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit maar liet de rechtsgevolgen in stand, omdat het college alsnog een belangenafweging had gemaakt.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het college terecht het belang van rechtmatige besteding van gemeenschapsgeld zwaarder heeft gewogen dan het door appellante gestelde, niet aannemelijk gemaakte belang bij voortzetting van de bijstand. Fouten van de bewindvoerder en de niet-onderbouwde overige belangen van appellante wegen niet op tegen het belang van het college.
De Raad bevestigt daarmee de intrekking van de bijstand en wijst het hoger beroep af. Appellante krijgt geen proceskostenvergoeding of griffierecht terug.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand per 3 februari 2020 wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.