Betrokkene maakte na het beëindigen van zijn studie in september 2020 nog gebruik van het studentenreisproduct, terwijl hij daar geen recht meer op had. De minister stelde een ov-schuld vast van €225,- wegens reizen in september en oktober 2020. De rechtbank matigde deze schuld tot €75,- omdat betrokkene te laat was geïnformeerd over het stopzetten van het reisrecht.
De Raad oordeelt anders dan de rechtbank en stelt dat betrokkene wist of had moeten weten dat hij geen recht meer had op het studentenreisproduct omdat hij niet meer was ingeschreven. De e-mail van 19 mei 2020, die een verlenging van drie maanden aankondigde, gold alleen voor ingeschreven studenten. Betrokkene had het woordje 'dan' over het hoofd gezien, waardoor hij ten onrechte meende recht te hebben op verlenging.
De Raad vindt dat de minister niet te laat heeft geïnformeerd, omdat de controle op inschrijvingen pas na 1 oktober plaatsvindt en betrokkene verplicht was wijzigingen direct door te geven. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene wordt verworpen, het hoger beroep van de minister gegrond verklaard, en de ov-schuld van €225,- blijft in stand. Het verzoek om schadevergoeding wegens gemist reisrecht in coronatijd wordt afgewezen.