Appellanten, werkzaam als flexwerkers met wisselend inkomen, ontvingen aanvullende bijstand van het college. In augustus 2019 werd de bijstand ingetrokken vanwege een bijschrijving van €1.545,- van de broer van appellant, aangemerkt als inkomen. Tevens werd een aanvraag voor individuele inkomenstoeslag afgewezen op grond van het vermeende hogere inkomen.
Appellanten stelden dat het bedrag een lening betrof voor levensonderhoud, noodzakelijk vanwege onzekerheid over inkomen en de werkwijze van het college bij flexwerkers. De Raad oordeelde dat de lening terecht niet als inkomen mocht worden beschouwd omdat appellanten aannemelijk maakten dat het geld bedoeld was voor levensonderhoud en terugbetaald zou worden.
De Raad vernietigde de bestreden besluiten, herroept het besluit tot intrekking van bijstand en wijst de individuele inkomenstoeslag toe. Daarnaast werd een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn en proceskostenvergoeding aan appellanten toegekend. De Staat werd veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en proceskosten.