Appellant verbleef met zijn gezin in een gezinsopvang en kreeg vanwege ongewenst gedrag een ontzegging van toegang voor drie dagen, waarbij hem een time out-bed op een andere locatie werd aangeboden. Het college handhaafde dit besluit na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en verwierp het beroep op het EVRM en IVRK.
Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en stelde dat de geboden opvang niet adequaat was en dat de belangen van zijn kinderen onvoldoende waren meegewogen. De Raad oordeelde dat de tijdelijke ontzegging met een time out-bed een passende invulling van de maatwerkvoorziening was en dat geen sprake was van een onevenredige inbreuk op het gezinsleven. Het beroep op de artikelen 3 en 9 IVRK en 8 EVRM werd verworpen.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn van de procedure met drie maanden was overschreden. De Raad veroordeelde de Staat tot betaling van € 500,- aan appellant wegens deze termijnoverschrijding en tot vergoeding van proceskosten van € 437,50. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.