ECLI:NL:CRVB:2009:BI9325
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Weigering bijstandsuitkering wegens ontbreken geldige verblijfstitel niet in strijd met EVRM
Appellante, afkomstig uit Nigeria en sinds 1995 in Nederland woonachtig, verloor haar geldige verblijfstitel en vroeg bijstand aan op grond van de WWB. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag af vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning, hetgeen werd bevestigd door de rechtbank en vervolgens door de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep.
De Raad overwoog dat de koppelingswetgeving, die vreemdelingen slechts onder bepaalde voorwaarden rechten verleent, verenigbaar is met non-discriminatiebepalingen in internationale verdragen. De door appellante ingeroepen verdragsbepalingen uit het Europees Sociaal Handvest en het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten zijn niet rechtstreeks werkend en scheppen geen afdwingbaar recht op bijstand.
Met betrekking tot artikel 8 EVRM Pro oordeelde de Raad dat hoewel appellante vanwege haar verblijfsstatus slechts een beperkt gezinsleven kon uitoefenen, de weigering van bijstand niet leidt tot een disproportionele inbreuk op het recht op gezinsleven. De Raad stelde dat er een fair balance bestaat tussen publieke belangen en de particuliere belangen van appellante. Het beroep op artikel 9 IVRK Pro werd niet verder behandeld omdat het geen aanvullende waarborgen biedt boven artikel 8 EVRM Pro.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak van de rechtbank, waarmee de aanvraag om bijstand werd afgewezen. Appellante heeft het gezag over haar kinderen en onderhoudt dagelijks contact, hoewel zij geen eigen woning en inkomen heeft, waardoor het gezinsleven beperkt maar niet onmogelijk is.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellante geen geldige verblijfstitel heeft en dit niet in strijd is met artikel 8 EVRM.