Appellante, geboren in 1955, ondervindt beperkingen in haar zelfredzaamheid en participatie. Het college van burgemeester en wethouders van Rucphen verstrekte haar een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning van 7,5 uur per week, gebaseerd op het CIZ-protocol en haar individuele omstandigheden.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af, behalve voor het niet tijdig beslissen. Appellante stelde dat zij recht had op 9 uur ondersteuning en dat de rechtbank ten onrechte geen proceskosten toewees voor het eerdere besluit van 6 mei 2021.
De Raad oordeelt dat de omvang van 7,5 uur passend is en niet in strijd met het CIZ-protocol of het HHM Normenkader 2019, dat zelfs een lagere toekenning zou rechtvaardigen. Wel slaagt het beroep op proceskostenveroordeling omdat het college het eerdere besluit niet handhaafde.
De Raad vernietigt het deel van de uitspraak dat het college niet veroordeelde in proceskosten over het eerdere besluit, bevestigt het overige en veroordeelt het college in aanvullende proceskosten van € 2.245,50 en vergoeding van het betaalde griffierecht.