ECLI:NL:CRVB:2024:1620
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens niet-duurzaam ontbreken arbeidsvermogen
Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan wegens een verstandelijke beperking en gedragsproblemen, stellende dat hij duurzaam geen arbeidsvermogen had. Het UWV weigerde de uitkering, omdat het arbeidsvermogen niet duurzaam ontbrak. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat bij lichte verstandelijke beperking nog groei mogelijk is.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij duurzaam geen arbeidsvermogen had, gezien zijn voorgeschiedenis met speciaal onderwijs en mislukte werkpogingen. De Raad beoordeelde dat duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen betekent dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige concludeerden dat bij appellant nog kans op verbetering bestaat, mede omdat hij fysiologisch nog niet volgroeid is en begeleiding mogelijk is. Appellant leverde onvoldoende bewijs dat behandeling geen effect zou hebben. De Raad volgde dit standpunt en bevestigde dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam was.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de weigering van de Wajong-uitkering gehandhaafd. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 8 augustus 2024.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens het ontbreken van duurzaam arbeidsvermogen.