ECLI:NL:CRVB:2024:1640
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verhoging Wajong-uitkering wegens te late aanvraag
Appellant, geboren in 1988, ontvangt sinds 2006 een Wajong-uitkering en vroeg op 15 december 2021 om een verhoging van deze uitkering wegens hulpbehoevendheid. Het UWV wees deze aanvraag af omdat appellant al langer dan een jaar in een instelling verbleef waar in zijn zorg werd voorzien, en omdat een verhoging niet met terugwerkende kracht toegekend kan worden voor perioden langer dan een jaar voor de aanvraag.
Appellant stelde dat hij recht had op verhoging vanaf 1 juli 2014 tot 5 oktober 2017, toen hij nog bij zijn ouders woonde, en dat het UWV had moeten beoordelen of hij recht had op verhoging vanaf 18 november 2006. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat een aanvraag vereist is en dat geen sprake was van bijzondere omstandigheden die een terugwerkende verhoging rechtvaardigen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV ambtshalve had moeten herzien en dat het UWV op de hoogte was van zijn situatie door adreswijzigingen en eerdere correspondentie. Ook stelde hij dat de ouders niet als bewindvoerder optraden en daarom niet verplicht konden worden een aanvraag in te dienen. De Raad verwierp deze gronden en bevestigde dat een aanvraag vereist is, dat geen bijzonder geval was aangetoond en dat het beroep op het evenredigheidsbeginsel niet slaagt.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht de verhoging heeft geweigerd en dat de weigering in stand blijft. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om de Wajong-uitkering van appellant te verhogen wegens het ontbreken van een tijdige aanvraag en bijzondere omstandigheden.