ECLI:NL:CRVB:2024:1689
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering ten onrechte ontvangen ZW-uitkering en toeslag
In deze zaak gaat het om de terugvordering door het UWV van een bedrag van €3.540,62 bruto aan onterecht betaalde Ziektewet-uitkering en toeslag aan appellante over de periode van maart 2018 tot november 2019. Na een eerdere herziening en terugvordering die verviel, betaalde het UWV per abuis opnieuw dit bedrag uit, waarna zij dit terugvorderde.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante tegen deze terugvordering ongegrond. De rechtbank oordeelde dat het UWV gehouden is tot terugvordering van onverschuldigde betalingen en dat appellante geen recht had op het vertrouwensbeginsel omdat er geen ondubbelzinnige toezeggingen waren. Ook werd geoordeeld dat geen dringende reden bestond om af te zien van terugvordering, ondanks de fout van het UWV en de financiële situatie van appellante.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij mocht vertrouwen op de telefonische informatie van het UWV en dat terugvordering tot het nettobedrag redelijker was. De Centrale Raad van Beroep volgde dit niet. De Raad bevestigde dat het UWV terecht het brutobedrag terugvordert, dat het vertrouwensbeginsel niet is geschonden, en dat het rechtszekerheidsbeginsel geen aanleiding geeft tot afzien van terugvordering. De belangenafweging en betalingsregeling zijn passend en de terugvordering is niet onevenredig.
Het hoger beroep wordt verworpen, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht het brutobedrag van €3.540,62 terugvordert.