Uitspraak
18.4382 WW
OVERWEGINGEN
eerste lid
nade periode van verlof (…).
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam bij een stichting en genoot in de referteperiode van 1 januari 2016 tot 1 januari 2017 onbetaald verlof. Bij het vaststellen van haar dagloon voor de WW-uitkering werd het inkomen in de verlofperiode gelijkgesteld aan dat van januari 2017, maar het opgebouwde bedrag aan eindejaarsuitkering, dat pas na de referteperiode werd uitbetaald, werd niet meegenomen. Appellante stelde dat dit onterecht was en dat zij daardoor financieel werd benadeeld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het Uwv de dagloonberekening correct had uitgevoerd conform het Dagloonbesluit. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, waaronder strijd met het loondervingsbeginsel, gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel.
De Centrale Raad van Beroep overwoog uitgebreid dat het Dagloonbesluit een algemene regeling bevat die bewust voorziet in het niet meenemen van niet-uitbetaald extra periodiek salaris zoals de eindejaarsuitkering in de referteperiode. De toepassing van artikel 6 van Pro het Dagloonbesluit is rechtmatig en in overeenstemming met de bedoeling van de besluitgever. Er is geen sprake van ongerechtvaardigd onderscheid of onrechtmatigheid. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat algemene informatie op een website geen concrete toezegging vormt.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak van de rechtbank, waarmee het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de dagloonvaststelling zonder het meenemen van de opgebouwde eindejaarsuitkering wordt bevestigd.