Appellant, voormalig mede-eigenaar van een vastgoedbedrijf, ontving bijstand in de vorm van een lening met de verplichting om informatie te verstrekken over incasso van vorderingen op derden. Hij verstrekte deze informatie niet, waardoor het college de bijstand terugvorderde. Tevens werd een nieuwe aanvraag afgewezen wegens onduidelijkheid over zijn vermogenssituatie.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit tot terugvordering en afwijzing. Appellant voerde aan dat de terugvordering niet op juiste grondslag was gebaseerd en dat hij wel recht had op bijstand. De Raad oordeelt dat de verplichtingen voortvloeien uit de lening en dat het college bevoegd was tot terugvordering. De afwijzing van de aanvraag is terecht vanwege onvoldoende bewijs van bijstandbehoevendheid.
De Raad constateert dat de redelijke termijn voor de procedure is overschreden en kent appellant een schadevergoeding van € 1.000,- toe. Het hoger beroep wordt afgewezen, de bestreden uitspraak bevestigd en de Staat veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten van appellant.