ECLI:NL:CRVB:2024:1749
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep slaagt op grond van vertrouwensbeginsel bij terugvordering ZW-uitkering
Appellant ontving vanaf 27 maart 2013 een Ziektewetuitkering (ZW). Het UWV besloot in 2015 tot herziening en terugvordering van deze uitkering wegens vermeende onverzekerdheid, maar trok dit besluit in 2019 in en gaf aan geen terugvordering meer te zullen doen. Later besloot het UWV toch opnieuw tot terugvordering over de periode 1 januari 2014 tot en met 7 december 2014, gebaseerd op het niet nakomen van de inlichtingenplicht door appellant.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het ne bis in idem-beginsel niet van toepassing was en dat het UWV geen toezegging had gedaan om niet terug te vorderen. Appellant ging in hoger beroep en stelde onder meer dat het vertrouwensbeginsel was geschonden omdat het UWV in 2019 ondubbelzinnig had toegezegd niet tot terugvordering over te gaan.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant terecht op het vertrouwensbeginsel mocht vertrouwen, omdat het besluit van 18 september 2019 duidelijk en zonder voorbehoud stelde dat geen terugvordering zou plaatsvinden. De Raad vernietigde het bestreden besluit en herroept het besluit tot terugvordering, waardoor de terugvordering over genoemde periode niet in stand blijft. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt, het besluit tot terugvordering van de ZW-uitkering wordt vernietigd en herroepen.