Appellante, met diverse gezondheidsbeperkingen, heeft meerdere malen een aanvraag ingediend voor maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015, waaronder individuele begeleiding en huishoudelijke ondersteuning. Het college van burgemeester en wethouders van Groningen heeft deze voorzieningen toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb), waarbij het tarief voor informele ondersteuning is toegepast omdat de hulpverleners niet voldeden aan de eisen voor formele ondersteuning.
Appellante stelde in hoger beroep dat het college ten onrechte onderscheid maakte tussen formele en informele ondersteuning en dat de omvang van de verstrekte voorzieningen onvoldoende was voor een passende bijdrage aan haar zelfredzaamheid en participatie. De Raad oordeelde dat het college conform de Verordening maatschappelijke ondersteuning Groningen 2020 en de Wmo 2015 heeft gehandeld. Het onderscheid tussen formele en informele ondersteuning is geoorloofd en de gehanteerde tarieven zijn correct vastgesteld.
Daarnaast heeft appellante onvoldoende concreet onderbouwd waarom de toegekende voorzieningen niet passend zouden zijn, noch welke activiteiten niet konden worden uitgevoerd. De Raad bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland die de besluiten van het college in stand hielden. De hoger beroepen zijn daarom ongegrond verklaard en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.