Appellant was geïndiceerd voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en ontving een persoonsgebonden budget voor 2019. Het zorgkantoor wijzigde het verleningsbesluit en vorderde een bedrag terug, waartegen appellant bezwaar maakte. Het zorgkantoor verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank handhaafde dit besluit.
Appellant stelde dat hij het bezwaarschrift tijdig had verzonden op 29 januari 2020, en nadat het retour was gekomen, het opnieuw per aangetekende post had verstuurd. De Raad stelde vast dat het bezwaarschrift op 27 februari 2020 ter post was bezorgd, binnen de termijn, en dat de latere ontvangst van het aangetekende bezwaarschrift binnen een week na afloop van de termijn viel.
De Raad concludeerde dat het bezwaar tijdig was ingediend conform artikel 6:9, tweede lid, Awb, en dat het zorgkantoor het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard. De Raad vernietigde zowel het bestreden besluit als de uitspraak van de rechtbank en droeg het zorgkantoor op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Tevens werd het zorgkantoor veroordeeld in de proceskosten van appellant.