Uitspraak
PROCESVERLOOP
.Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar het dagelijks bestuur heeft bij besluit van 10 juni 2021 (bestreden besluit) het besluit van 10 mei 2021 gehandhaafd.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand sinds januari 2018. Het dagelijks bestuur beëindigde de bijstand per 10 mei 2021 omdat appellant met X een gezamenlijke huishouding zou voeren, gebaseerd op een op 26 juli 2019 gesloten samenlevingsovereenkomst. Deze overeenkomst voorzag in wederzijdse zorgplicht en bijdrage aan de huishouding, wat het onweerlegbare rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding volgens artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Participatiewet (PW) doet ontstaan.
Appellant en X vernietigden de samenlevingsovereenkomst later buitengerechtelijk wegens dwaling, omdat zij deze enkel hadden gesloten om fiscaal voordeel te verkrijgen en niet de intentie hadden daadwerkelijk een gezamenlijke huishouding te voeren. De Raad oordeelt echter dat de feitelijke verhoudingen en intenties niet relevant zijn voor het rechtsvermoeden en dat de vernietiging geen terugwerkende kracht heeft ten aanzien van het bijstandsbesluit.
De Raad bevestigt dat het rechtsvermoeden geldt zolang de overeenkomst bestond en dat de gevolgen van de dwaling voor rekening van appellant blijven. Het bestreden besluit tot beëindiging van de bijstand wordt daarom in stand gelaten. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding en het betaalde griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de bijstand blijft in stand.