ECLI:NL:CRVB:2024:2066
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Wajong-uitkering wegens verblijf buiten Nederland zonder zwaarwegende redenen
Appellant ontvangt sinds 2010 een Wajong-uitkering die door het UWV per 1 september 2021 is beëindigd omdat hij buiten Nederland, namelijk in Turkije, is gaan wonen. Het UWV baseerde dit besluit op het exportverbod van de Wajong-uitkering en een verzekeringsartsrapport. Appellant maakte bezwaar en stelde dat er sprake is van zwaarwegende redenen, zoals medische behandeling en afhankelijkheid van zorg van zijn moeder, en dat het exportverbod onbillijk is.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht de uitkering had beëindigd. De rechtbank vond geen medische noodzaak voor de verhuizing en geen aantoonbare afhankelijkheid van appellant van zijn moeder, die in Turkije woont. Ook werd geen ongerechtvaardigde schending van artikel 8 EVRM Pro vastgesteld.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelt vast dat het exportverbod op grond van de Wajong-wetgeving en beleidsregels terecht is toegepast. De hardheidsclausule geldt alleen bij zwaarwegende redenen, die appellant niet aannemelijk heeft gemaakt. De Raad wijst ook de beroepgrond af dat het exportverbod in strijd zou zijn met Europeesrechtelijke bepalingen en het recht op gezinsleven. Het hoger beroep wordt afgewezen en de beëindiging van de uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De beëindiging van de Wajong-uitkering wegens verblijf buiten Nederland zonder zwaarwegende redenen wordt bevestigd.