Appellanten hadden een aanvraag ingediend voor bijstand op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo-5) voor de periode juli tot en met september 2021. Het college kende bijstand toe tot 16 augustus 2021, maar wees de aanvraag af voor de periode van 17 augustus tot en met 30 september 2021 omdat appellanten langer dan vier weken in het buitenland verbleven, namelijk in Pakistan.
Appellanten voerden in hoger beroep aan dat er sprake was van overmacht en zeer dringende redenen vanwege een verlopen visum, politieke onrust in het grensgebied en ziekte in combinatie met COVID-19 restricties. De Raad oordeelde dat deze omstandigheden niet voldeden aan de strenge criteria van een acute noodsituatie zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Participatiewet.
De Raad benadrukte dat zeer dringende redenen alleen aanwezig zijn bij schrijnende situaties waarbij het niet verlenen van bijstand tot ernstige gevolgen leidt, bijvoorbeeld levensbedreiging of ernstig letsel. De enkele omstandigheid dat vaste lasten doorliepen tijdens het verblijf in het buitenland was onvoldoende om bijstandverlening onvermijdelijk te achten.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en bleef de afwijzing van de aanvraag en de terugvordering van de voorschotten in stand. Appellanten kregen geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 5 november 2024.