ECLI:NL:CRVB:2024:2108
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- S. Wijna
- A.I. van der Kris
- G. Boot
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-uitbetaling WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door ernstige gedragingen
Appellant was werkzaam als gebouwencoördinator bij een gemeente en werd op verzoek van de werkgever ontslagen wegens ernstige toerekenbare tekortkomingen, gelijkgesteld met een dringende reden volgens artikel 7:678 BW Pro. Het UWV besloot de WW-uitkering niet uit te betalen omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden.
De rechtbank oordeelde dat appellant onder meer geld had geleend van ondergeschikte collega’s, een valse bommelding had gedaan zonder dit te melden aan de werkgever, en een winkeldiefstal had gepleegd zonder melding te maken. Deze gedragingen leidden tot een integriteits- en loyaliteitsconflict en waren onverenigbaar met zijn functie. De Raad onderschrijft dit oordeel en bevestigt dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden.
Appellant voerde aan dat het evenredigheidsbeginsel onvoldoende was toegepast en dat de feiten onjuist waren, maar deze bezwaren werden niet onderbouwd. De Raad concludeert dat het besluit tot niet-uitbetaling van de WW-uitkering terecht is en dat appellant geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt niet uitbetaald omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden door ernstige tekortkomingen.