ECLI:NL:CRVB:2024:2156
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling WIA-dagloon ondanks betwisting medische afzakker
Appellante, werkzaam als verpleegkundige en later als planningsfunctionaris A, betwistte de vaststelling van haar WIA-dagloon door het UWV. Zij stelde dat zij als medische afzakker moest worden aangemerkt en dat het dagloon uitsluitend op haar verpleegkundig loon moest worden gebaseerd.
De rechtbank Limburg had het beroep ongegrond verklaard en het besluit van het UWV in stand gelaten. Appellante ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die de zaak op 26 september 2024 behandelde.
De Raad oordeelde dat het dagloon correct was vastgesteld volgens de wettelijke bepalingen, waarbij de referteperiode van 1 augustus 2018 tot en met 31 juli 2019 werd gehanteerd. Er was geen objectieve medische noodzaak om al per 1 januari 2017 ander werk te verrichten, zodat appellante niet als medische afzakker kon worden aangemerkt.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het verzoek om schadevergoeding af. Tevens kreeg appellante geen vergoeding voor proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het vastgestelde WIA-dagloon van € 87,51 blijft in stand en het hoger beroep wordt afgewezen.