Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
In deze zaak staat centraal of het UWV terecht de ZW-uitkering van appellant heeft ingetrokken en teruggevorderd wegens een gefingeerd dienstverband met een B.V. waarvan de broer van appellant bestuurder is. De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard, omdat het UWV aannemelijk had gemaakt dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Appellant kon dit niet met objectief en verifieerbaar tegenbewijs weerleggen.
Appellant voerde in hoger beroep onder meer aan dat de rechtbank onvoldoende onderzoek had gedaan, dat medische klachten en privacyredenen meespelen en dat getuigen gehoord hadden moeten worden. Hij overhandigde diverse aanvullende stukken, waaronder rittenregistraties, WhatsApp-berichten en medische verklaringen. De Raad oordeelt echter dat deze stukken onvoldoende overtuigend zijn en zelfs tegenstrijdigheden bevatten, waardoor het standpunt van het UWV overeind blijft.
De Raad weegt ook het argument van appellant over dringende redenen om van terugvordering af te zien. De Raad stelt dat het UWV alle relevante omstandigheden heeft meegewogen en dat de financiële en medische situatie van appellant geen reden geeft om af te wijken van de terugvordering. De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de ZW-uitkering wegens het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.