ECLI:NL:CRVB:2024:2179
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep gegrond: onjuiste toerekening WGA-uitkering en noodzaak belangenafweging door UWV
Appellante is per 1 januari 2017 eigenrisicodrager geworden voor WGA-uitkeringen na een fusie. Een werknemer werd arbeidsongeschikt op 21 januari 2016, maar de WGA-uitkering werd vanaf 18 januari 2018 ten onrechte aan appellante toegerekend. Het UWV heeft dit besluit in 2017 genomen en later geweigerd dit met terugwerkende kracht te herzien, verwijzend naar een gewijzigd beleid per 5 oktober 2018.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het gewijzigde beleid voldoende gemotiveerd was en dat geen sprake was van nieuwe feiten die herziening met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Appellante stelde in hoger beroep dat deze weigering evident onredelijk was.
De Raad oordeelt dat het oorspronkelijke toerekeningsbesluit onmiskenbaar onjuist was omdat de werknemer niet in dienst was bij appellante bij het intreden van arbeidsongeschiktheid. De belangenafweging van het UWV, die het financiële belang van de werkgever minder zwaar weegt dan rechtszekerheid en uitvoeringslasten, is niet aanvaardbaar. De Raad vernietigt het bestreden besluit en draagt het UWV op een nieuw besluit te nemen waarbij een juiste belangenafweging wordt gemaakt.
De Raad bepaalt dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Raad kan worden ingesteld en veroordeelt het UWV in de proceskosten en het griffierecht van appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van het UWV vernietigd en het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen met een belangenafweging.