Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft in 2008 en 2011 een Wajong-uitkering aangevraagd, waarbij de eerdere aanvragen buiten behandeling zijn gesteld wegens niet verschijnen op spreekuren. Op 27 januari 2021 diende appellant een nieuwe aanvraag in, die door het Uwv werd afgewezen omdat appellant volgens medisch en arbeidskundig onderzoek over arbeidsvermogen beschikte.
De rechtbank oordeelde dat de aanvraag uit 2021 als een nieuwe aanvraag moet worden beoordeeld op basis van de Wajong 2015, en niet op grond van de Wajong 2010 zoals appellant betoogde. De kern van het geschil was of appellant op de datum van de aanvraag over basale werknemersvaardigheden beschikte. De rechtbank concludeerde dat appellant deze vaardigheden wel had.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het Uwv onterecht niet op de aanvraag van 2011 had beslist en dat hij duurzaam geen arbeidsvermogen had, mede door beperkingen in omgang met regels en gezagsverhoudingen. De Raad volgde dit niet en stelde vast dat de aanvraag van 2021 terecht als nieuwe aanvraag werd behandeld en dat appellant op die datum over arbeidsvermogen beschikte. De Raad achtte de medische en arbeidskundige rapporten overtuigend en wees het beroep af.
De Raad liet een laat ingebrachte klacht over specifieke werkzaamheden buiten beschouwing en verwierp het beroep op de tienjaarstermijn van de Wajong. De weigering van de Wajong-uitkering blijft daarmee in stand en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering omdat appellant op de datum van aanvraag over arbeidsvermogen beschikte.