Appellante volgde een particuliere MBO-4 opleiding tot apothekersassistente en verrichtte zelfstandige kapperswerkzaamheden. Zij ontving Tozo-bijstand van het college, die later werd ingetrokken en teruggevorderd omdat het college meende dat appellante jonger dan 27 jaar was en aanspraak op studiefinanciering had, waardoor zij geen recht had op Tozo.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond en vernietigde het bestreden besluit, maar hield de intrekking en terugvordering in stand. Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het college niet had onderzocht of appellante feitelijk uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kon volgen en dus of de uitsluitingsgrond van de Participatiewet van toepassing was.
Omdat het college deze essentiële toets niet had uitgevoerd, berustten de besluiten niet op een deugdelijke grondslag. De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank voor zover deze de bezwaren ongegrond verklaarde en droeg het college op een nieuwe beslissing te nemen, met de mogelijkheid om het urencriterium van de Tozo te onderzoeken.
Daarnaast kreeg appellante een vergoeding voor proceskosten en griffierecht. Het beroep werd gegrond verklaard en het college werd veroordeeld tot vergoeding van kosten.