Appellant, een oudere zelfstandige met een eenmanszaak in verhuur van appartementen en verkoop van strooizout, diende aanvragen in voor algemene bijstand over 2019 en 2020 op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (BBZ 2004). Het college wees beide aanvragen af omdat appellant naar verwachting niet het vereiste minimum bruto inkomen uit zijn bedrijf zou behalen.
De zelfstandigenloketten vroegen advies aan FBA adviesgroep, die in beide gevallen negatief adviseerde over de inkomensverwachting. Appellant voerde aan dat het advies over 2019 onvolledig en onzorgvuldig was, met name omdat de omzet uit de verkoop van strooizout niet adequaat was meegenomen. De Raad oordeelde dat dit advies op dat punt onvolledig was en dat het college het bezwaar van appellant had moeten voorleggen aan FBA, waardoor het besluit onvoldoende zorgvuldig was voorbereid. Dit gebrek werd echter gepasseerd omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de omzet uit strooizout hoger zou zijn dan in voorgaande jaren.
Voor 2020 stelde appellant dat de omzetraming van FBA te pessimistisch was en dat ontvangen overheidssteun en schadevergoedingen als inkomen meegewogen moesten worden. De Raad verwierp deze gronden omdat deze bedragen niet uit het bedrijf afkomstig zijn en de omzetverwachting van FBA voldoende onderbouwd was. De Raad bevestigde de uitspraken van de rechtbank en wees de verzoeken om schadevergoeding af, maar veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht wegens het niet zorgvuldig voorbereide besluit over 2019.