Appellant, met de Australische nationaliteit, vroeg in januari 2020 kinderbijslag aan voor zijn dochter. De aanvraag werd buiten behandeling gesteld vanwege ontbrekende gegevens. In juni 2021 diende appellant een nieuwe aanvraag in, waarop kinderbijslag werd toegekend met ingang van het tweede kwartaal 2020, dus met één jaar terugwerkende kracht. Appellant maakte bezwaar tegen de beperkte terugwerkende kracht en stelde dat de nieuwe aanvraag als aanvulling of bezwaar tegen de eerdere buitenbehandelingstelling moest worden gezien.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het recht op kinderbijslag niet eerder kan ingaan dan één jaar voorafgaand aan het kwartaal van de aanvraag. De Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat de aanvraag van juni 2021 niet als aanvulling op de eerdere aanvraag kan worden beschouwd, omdat de eerdere aanvraag in rechte vaststaat als buiten behandeling gesteld.
Appellant voerde aan dat vanwege lockdown, taalbarrière en onbekendheid met het systeem de wet strikt toegepast moest worden. De Raad oordeelt echter dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking van artikel 14, derde lid, van de AKW rechtvaardigen. Ook is het motiveringsgebrek niet aannemelijk omdat de Svb duidelijk heeft verwezen naar de wettelijke grondslag en de maximale terugwerkende kracht. Het hoger beroep wordt verworpen en de toekenning van kinderbijslag met één jaar terugwerkende kracht blijft in stand.