Uitspraak
SAMENVATTING
20 april 2020 een WW-uitkering toe te kennen, omdat hij op dat moment anders dan wegens vakantie in het buitenland verbleef.
PROCESVERLOOP
mr. Fischer verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam via een uitzendbureau en reisde op 18 maart 2020 naar Kenia voor familiebezoek, ondanks een negatief reisadvies dat op 16 maart 2020 was uitgegeven. Hij kon vanwege de coronamaatregelen niet op 20 april 2020 terugkeren naar Nederland, de datum waarop hij een WW-uitkering wilde laten ingaan.
Het UWV weigerde de WW-uitkering omdat appellant op dat moment anders dan wegens vakantie buiten Nederland verbleef, wat volgens artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW een uitsluitingsgrond is. Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat de lockdown hem verhinderde terug te keren, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard.
De rechtbank bevestigde dit besluit en oordeelde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die de toepassing van de uitsluitingsgrond konden verhinderen. De tijdelijke maatregel die voor personen die vóór 16 maart 2020 vertrokken gold, was niet op appellant van toepassing.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de dwingendrechtelijke bepaling geen ruimte laat voor individuele omstandigheden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die niet door de wetgever zijn verdisconteerd, wat hier niet het geval was.
Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten en griffierecht. De weigering van de WW-uitkering per 20 april 2020 blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De weigering van de WW-uitkering per 20 april 2020 wordt bevestigd omdat appellant anders dan wegens vakantie buiten Nederland verbleef na een negatief reisadvies.