ECLI:NL:CRVB:2024:694
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens langdurig verblijf in het buitenland zonder melding
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet, maar verbleef vanaf 3 januari 2020 onafgebroken in Turkije, zonder dit aan het college te melden. Het college trok daarom de bijstand met ingang van 1 februari 2020 in en vorderde het bedrag terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellante dat het college op de hoogte was van haar medische behandelingen in Turkije en dat zij vanwege corona- en gezondheidsrisico's niet kon terugkeren. De Raad oordeelde dat het college niet wist van haar langdurige verblijf vanaf 2020 en dat het verblijf langer dan de toegestane vier weken was, waardoor geen recht op bijstand bestond.
Appellante stelde dat er zeer dringende redenen waren om bijstand te verlenen, omdat zij zonder bijstand haar koopwoning en zorgverzekering niet kon betalen. De Raad vond echter dat haar behoeftige omstandigheden in Turkije op andere wijze werden verholpen, onder meer door verblijf in een woning van een kennis, leningen en betaling van zorgkosten door derden.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Appellante krijgt geen proceskostenvergoeding. De intrekking van de bijstand blijft van kracht voor de periode van 1 februari 2020 tot en met 17 juni 2021.
Uitkomst: De intrekking van bijstand wegens langdurig verblijf in het buitenland zonder melding wordt bevestigd.