ECLI:NL:CRVB:2024:791
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussentijdse beëindiging arbeidsovereenkomst via vaststellingsovereenkomst en WW-uitkering
Betrokkene trad op 9 september 2021 in dienst bij een werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zonder tussentijds opzegbeding. Op 30 november 2021 sloten partijen een vaststellingsovereenkomst waarin een tussentijds opzegbeding werd opgenomen en het dienstverband per 1 januari 2022 werd beëindigd.
Het UWV weigerde aanvankelijk een WW-uitkering omdat de arbeidsovereenkomst zonder tussentijds opzegbeding was gesloten en meende dat het opzegbeding in de vaststellingsovereenkomst niet volstond. De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat het schriftelijk overeengekomen tussentijdse opzegbeding in de vaststellingsovereenkomst aan de wettelijke vereisten voldoet.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat artikel 7:667 lid 3 BW Pro geen beperking stelt aan het moment waarop het tussentijds opzegbeding schriftelijk moet zijn overeengekomen. Het hoger beroep van het UWV wordt afgewezen en het UWV moet de WW-uitkering alsnog toekennen over de periode van 1 januari 2022 tot 9 april 2022. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt afgewezen en de WW-uitkering wordt alsnog toegekend over de periode van 1 januari 2022 tot 9 april 2022.