ECLI:NL:CRVB:2024:912
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing compensatie transitievergoeding bij voortijdige beëindiging arbeidsovereenkomst tijdens ziekte
Appellante verzocht compensatie van de transitievergoeding die zij betaalde aan een werkneemster die na een verkorte wachttijd een IVA-uitkering ontving en binnen de tweejaarstermijn van het opzegverbod tijdens ziekte overleed. Het Uwv kende aanvankelijk compensatie toe, maar herzag dit besluit en vorderde het bedrag terug omdat niet was voldaan aan de voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de tweejaarstermijn moest zijn beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren om het dwingend voorgeschreven artikel 7:673e BW buiten toepassing te laten. Ook was er geen sprake van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van werkgevers.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het overlijden van de werkneemster binnen de termijn een bijzondere omstandigheid vormde en dat zij als goed werkgever handelde. De Raad volgde dit niet en benadrukte dat de wetgever bewust geen uitzondering heeft gemaakt voor situaties met een verkorte wachttijd en IVA-uitkering. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd eveneens verworpen.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waardoor de weigering van compensatie in stand blijft. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de compensatieaanvraag omdat de arbeidsovereenkomst is beëindigd vóór het verstrijken van het opzegverbod tijdens ziekte.