ECLI:NL:CRVB:2024:92
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van oordeel dat geen toegenomen arbeidsongeschiktheid bestaat per 14 januari 2022
Appellante was administratief medewerker en meldde zich op 22 november 2021 ziek met psychische klachten. Na beëindiging van het dienstverband op 30 november 2021 werd zij door het UWV beoordeeld als arbeidsgeschikt per 17 januari 2022. Appellante meldde zich echter op 14 januari 2022 toegenomen arbeidsongeschikt, maar de verzekeringsarts vond geen aanleiding om de eerdere beoordeling te herzien. Het UWV wees het recht op ziekengeld per 17 januari 2022 af.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij rekening was gehouden met psychische en lichamelijke klachten die al voor het dienstverband bestonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde dat er geen objectiveerbare verslechtering was die arbeidsongeschiktheid rechtvaardigde.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat er sprake was van nieuwe feiten en een verslechtering van haar toestand. Zij verzocht ook om benoeming van onafhankelijke deskundigen. De Raad oordeelde echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat de klachten al bekend waren en dat er geen objectieve verslechtering was. De verwijzing naar eerdere jurisprudentie bracht geen ander oordeel. Het verzoek om onafhankelijke deskundigen werd afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.